Don Juan en de gouden val

muddy_face

Het is 1987, midwinter en we spelen in een leegstaande loods. Met mijn elf medespelers sta ik te bibberen in de coulissen. De zaal stroomt vol, wij hebben afgesproken om stil en onzichtbaar te zijn tot de dramatische muziek aankondigt dat het begint. De hele dag staan er grote verwarmingsblowers aan maar warm is het nog niet geworden. De locatie drukt precies het verval en de armoede uit van het stuk dat we spelen: ‘Don Juan komt terug uit de oorlog’.

Na de laatste doorloop heb ik die middag mijn struikel- en valpartij geoefend met Jan, de regisseur. Jan is danser en heeft me op de valreep geleerd om hard en volledig pijnloos te vallen. Ik heb er lol in gekregen en zie er naar uit. Wel maak ik me zorgen dat ik in een van de flinke plassen water zal vallen die door een lek in het dak op het podium staan want die mogen van Jan – “dat is juist prachtig” – niet opgeruimd worden.

Ik loer vanuit het donker naar het publiek en zie een stel medestudenten van de parallelklas zitten. Ik denk aan de onfortuinlijke openbare repetitie van een maand geleden waar mijn scène geselecteerd was om te repeteren en ik er helemaal niks van bakte. Ik had toen de lol nog niet gevonden in de rol van een van de slachtoffers van Don Juan, speelde haar zeurderig, jengelend, had de krachtige kant van dit personage niet te pakken. Nu herinner ik me opeens mijn terugkerende droom dat ik mijn tekst niet meer weet en voel me verstenen.

Ik sluip weg en vind Jan met een koptelefoon op, druk aan het werk met de techniek. Ik mime mijn ongemak met het toestromende publiek. Hij zegt zacht ‘geniet ervan, voel hun steun, ze willen dat jullie het goed doen’. Terug in de coulissen kijk ik naar het publiek. Ze hebben het koud, maar praten geanimeerd met elkaar.

Tijdens de openingsmuziek lopen wij met zijn allen – twaalf donkere gestaltes op een rij – heen en weer over het podium. We zijn één blok, het geluid van de muziek overstemt maar net dat van onze harde voetzolen op het beton. Ik kan niet naar het publiek kijken, maar voel dat deze scène indrukwekkend is.

In mijn scène moet ik de aandacht van Don Juan zien te krijgen en doe dat met een groot appel op zijn medemenselijkheid. Hij zal daar niet op reageren en dan is het de bedoeling dat ik op hem toeloop en struikel. Als ik een stap in zijn richting zet, zie ik in een flits iemand in het publiek naar de plas water kijken waar ik op weg naar Don Juan overheen zal moeten. Ik besluit onmiddellijk om daar in te vallen. Ik maak mijn val goed zwaar en het vuile water spettert precies in mijn gezicht. Het publiek schrikt hoorbaar en ik weet het: dit kan niet meer stuk, dit is mijn moment suprême van vanavond.

Er vinden meer van die gouden toevalligheden plaats die avond en de première is meer dan geslaagd. We staan na afloop te springen en joelen met elkaar en prijzen Jan en elkaar de hemel in. Pas de volgende dag vertelt Jan dat de voorstelling van die avond moeilijker zal zijn dan die van gisteravond omdat we de geslaagde première met zijn goede vondsten-in-het-moment zullen willen herhalen. En herhalen lukt alleen grote toneelspelers en dat zijn we niet. Hij heeft één advies: speel het alsof jullie het nog nooit en ook nooit meer zullen spelen. Ga niet de plas opzoeken, Marijke, laat je verrassen.

En dat is een les die ik nog altijd mee geef aan mijn klanten. Als je eenmaal ‘live’ bent met je optreden, doen je eerdere goede of slechte prestaties – in de repetities of voor het echie – er niet meer toe. De ervaring helpt je om je rol te spelen, maar het publiek, de dag, je eventuele medespelers zijn anders dan gisteren, dus je weet niet en detail wat er gaat gebeuren. Het gaat alleen om hier. En nu. Je publiek zal je helpen om je gouden momenten te vinden.

Marijke van Oosterzee